
De sneeuwjacht maakt de wereld ondoordringbaar wit. Kleine kristallen klampen zich vast aan mijn haren, ogen, oren. Ik loop hier al zo lang, ik ben vergeten hoe het ooit begon. Hoe harder de wind de storm laat grommen, des te stiller het tussen de bomen wordt. Elk geluid verdwijnt in de briesende lucht. In een hoekje van de storm probeer ik te schuilen. Berkentakken zijn de bodem van de krakende sofa waarop ik zit. Mijn tijd versmelt met de vlokken in de lucht.
De driftsneeuw voor mij, vormt kleine duinen, met in de luwte een pad. Op dat pad woont de nevel. Mijn handen tasten zachtjes en voelen aan de witte mist. Het is zacht, koud, een beetje ijzig. Ik zou deze mist best willen dragen als een deken, mijzelf ermee omhullen. Een deken waarvan de kleine druppels ijs kriebelen in je neus, je kleine speldenprikjes geven op je wangen. Kleine prikjes die zorgen voor tintels, warme tintels gemaakt van ijs.
Ik zit hier alweer uren. Het licht steeds donkerder. Mijn handen glimmen inmiddels onder een dun laagje ijs, mijn huid vol kristallen, elk klein vlokje is veranderd in een koude diamant. Door de kou worden mijn vingers steeds strammer. In mijn oren suist mijn bloed, ik hoor het bonken van mijn hongerige hart, trager, steeds trager. De sneeuw blijft maar vallen.
De sneeuw en ik, zijn wij niet gewoon elkaar? Waar sneeuw valt, glijdt de normale wereld weg, fragiel en ondoordringbaar. Zachtjes wordt de stilte een gedachte zonder woorden. Zachtjes zak ik weg.
Daar tussen de stilte hoor ik iets. Iets kleins, iets zachts, een heel klein ruisje. Tussen mijn bevroren wimpers door zie ik iets, een warme gloed. Ik krijg mijn ogen nog maar amper open. Maar is het echt? Is ze eindelijk daar?
Ze beweegt als de wind. Draaiend danst ze door de sneeuw, schijnbaar doelloos, volgestopt met onbevangen richting. De kou doet haar niets. Ik kijk. Ik warm mijn ogen aan haar dans. Zachtjes draait zij naar mijn kant.
Haar dansen doet mij strammer lijken. Toch herkennen we elkaar in de korte twinkeling van onze ogen. Die van mij van ijs, die van haar van vuur. Haar blik geeft mijn botten wat nieuw leven. Mijn lijf begint te trillen op het ritme van haar dans. Ik probeer te gaan staan. Op de aarde voor mijn voeten ligt een tapijt van glanzende hagelsteentjes. Ze hebben een scherpe breekbaarheid waar mijn voeten niet meer tegen bestand zijn. Toch sta ik op om met haar te dansen. Langzaam kleuren mijn ijzige wangen van grijs naar rood.
Mijn naam is winter, zij is de lente. We dansen, draaien, kolken en zachtjes geef ik mijn laatste restje tijd aan haar.