Daar zit ze, een laatste blik, dat wat zij altijd zag, is dat er nog? Of heeft de tijd haar plek al doorgegeven. Van de stemmen in de verte herkent ze er nog maar weinig. Behalve die ene, die klinkt als zacht twinkelend ijs op een mooie winterdag. Ietwat fragiel, nog vol van onbezonnen leven.
Wankelmoed wisselt zich af met de overmoed van een jeugd.
Het geluid daar in de verte lijkt zoveel op haar eigen stem, tenminste, van voor dat deze barste. Sinds die barst klinkt haar stem grauw, grijs, vaak dof en soms nog vlammend fel. De tijd heeft zich vergrepen aan de frisse tonen die zij ooit bezat.
Ze tuurt, die laatste blik, ze wil er alles nog eenmaal mee zien. Turen tot ze wazig ziet. Weer hoort ze zacht de twinkeling, haar oren leiden haar ogen. Daar, in de verte, haar kleindochter, ze ziet haar, ze hoort haar stem, mijn stem, onze stem. Een laatste keer.
